377
Ouderkerk lichtte al sneller ieder's doopceel. Rozen-heim moést toch wel den broer van Jaak Snoek, Hijman Snoek, gekend hebben? Hij was berucht door zijn jongste zoontje toendertijd. Allerlei kennissen noodigde Hijman bij zich thuis, om het winderig jongetje te hooren vloeken. Als ze hem vroegen: leert hij goed?... gierde Hijman Snoek.
— Dat niet, maar vlóéken ken ie, vloeken, nee... zoo iets!... Geef u 'm klaumisj 'n klap... zal u wat hoore... Zoo ken 't niemand!...
Dan kreeg het ventje voor de grap een slag. Onmiddellijk stormde een ontzettende vloekhoos los, van de afgrijselijkste tot de meest goddelooze. En dan jubelde
de vader van trots, en de moeder, de familie...... al
schaamden de kennissen zich half dood.
— 'n Kraan van 'n jonge... Zoo iets hadden zij nog nooit beleefd... Die wordt je wat!... En tóch 'n ge-sjiewes, meneer Rozenheim, die Hijman...
Later, als juwelier, had een werkman hem verschrikkelijk begapt, voor duizenden... Hij zei niets, strafte niet, eischte niets, haalde er geen politie bij, maar hij gaf den dief doodrustig ontslag... Toen na een paar dagen de moeder holderdebolder, onder lawaai en woest gebler, Hijman Snoek's kantoor opliep en jammerde:
— Meneer Snoek, God laat uwes gezond, maar werom heb u me zoon ontslage... werom heb u an 'm broodeloos gemaak... hij had zoo'n paar goeje handen an ze lijf?...
Antwoordde Snoek glimlachend:
— Ja, dat heb ik gemerkt!...
En hij liet 'm weer roepen, om te beginnen.
Toen ze Jaak eens failliet wouen verklaren, zei indertijd juwelier Dimdal, die archi-millioenair uit
Parijs....... als Jaak Snoek failliet gaat, ga ik méé
failliet!...
Klaumisj: zoo maar.