376
Hersjie stapte op een groep oude mannetjes af, die niets meer met den handel hadden uit te staan en toch, door Directeur's goedheid, mochten blijven plakken; die grimmig of wantrouwelijk of meedoogenloos naar alle hoeken koekeloerden. Een ander verschalkend groepje kluwde bijeen, onder zeurderig gekonkel. Maar wee, wee, als de jonge, jolige lolmakers van de middaguren ze in de gaten kregen! Zij schonken wel weg, die ontwikkelde, geestige, jeugdige kerels, vol deun; levenslustig en vol schimprumoer, zelfs in fnuikende malaise. Maar zij plaagden kwellend. Het brallende groepje eigenwerkmakers-kloovers werd gesteund of gecommanditeerd door een rijken geldschieter, een goedbloed op het oog, die in drukke tijden er dubbel en dwars profijt uit haalde.
Henri had graag eens dit heele intellectueele stelletje ruw-koopers ontmoet. Zij brachten leven in de doode brouwerij. Maar de luidruchtige knapen waren al vertrokken.
Rozenheim wees in de verte iemand aan.
— Wie is dat?... vroeg hij Ouderkerk.
Joost betastte zijn stropdasje en vergat te snuiven.
— Die baarsjesvisscher?... 'n Neef van Jaak Snoek, de ijzerbreker...
Ouderkerk hoonde vlijmend verder:
— Ja,... 't jonge geslacht weet véél!... Ze loopen geen kooplieden meer na... Oser!... Ze zoeken geen diamant meer in smerige, clandestiene café'tjes, om te ruilen, om te gappen en te zwendelen!...
Eén gierde...
— Mooie beentjes gaan voor!
Henri wilde den schimper afleiden:
— U zou van Jaak Snoek...
— O juist, van die ijzerbreker...... God, wat 'n
prachtkerel was dat!... Ruw als steenkool,... maar 'n hart van goud!...
Oser: heusch niet.