375
heer. En nou,als een concertzaal zoo groot.de Beurs...
Soezie Zuur zuchtte.
— Wejiese melig... voorbij... Nou binne er geen gange, is er geen ״Mast" meer noodig!...
Henri luisterde, glimlachte schuw en tastte in Ouder-kerk's stemdiepte en smalende woorden, naar ironie of ernst.
Soezie Zuur zwatelde...
— Kijk, daar gaat Manke Aroon,...... eerste-klas-
aanhanger Couwé... Die wou 'm geneze van zenewe-rimmetiek... Hij most telle en zegge... ik heb géén pijn... ik heb géén pijn... Wel vijfduizend maal... Noh, hij an 't telle en alsmaar zegge... ik heb géén pijn... Zoo zat ie maar, te kreune van de pijn, mit ze tande op mekaar... Zei ie als maar zachter... ik heb géén pijn... ik heb géén pijn... Hij kneep ze vuiste
en huilde half...... Hij wou, wou, uit respect voor
Couwé, nie klage...... Ineene daar krijgt ie me 'n
vreezelijke zenewe-rimmetieksteek, 'n verschrikkelijke scheut... geregeld 'n messteek... Springt ie me op en gilt ie uit... addenommeleheine... wat heb ik géén Pijn!......
Al meer menschen wriemelden dooreen. Kromge-rugde Hersjie van Ommeren liep de Beurszaal rond als een lévende jammer. Hij had weer gruwelijke migraine en kreunde smartelijk, Heel zijn geeltintig voorhoofd en de slapen, beplakte de oude man met aardappelenschillen, in azijn gedoopt; kop en koonen beten rood als versmolten bloed, in martelvlekken.
Hersjie's onnoozel groeven-gezicht verwrong'imbeciel in fratsen, toen er uit het lokaal door een spotvogel geroepen werd:
— Nachamoe... Nachamoe!...
Eén lange, ivoorgroene middentand boorde zijn vleeschpaarse kaak uit.
Wejiese melig: dit geldt van vroeger. — Nachamoe: troost, troost; beginwoord van Jesaja's Troostzang.