369
De luidspreker galmde stentorisch een naam.
— Let op 't bord, Ouderkerk,...... spotte Van
Wezelaar vinnig,... 't sein staat voor jou niet stil... Telefoon, zaal, portier, je hoort, je ziet niet anders... dat gaat maar door!... Jij wordt nog dol van drukte... De meisjes van de Weegschaal hebben voor jou geen handen genoeg... Jouw lotjes vliegen dicht! De weegbriefjes kleven vast op je duimen... Daarom wroet je de heele dag in je Safe hé, sluiswachter?
Ouderkerk zweeg. Al was hij nóg zoo een gifspuwer, voor Van Wezelaar bukte hij. Die was hem té scherp. Die zaagde door de troebelste horde heen... Die rukte hem baldadig doormidden en liep zelf op vilten zolen. Je hoorde hem niet naderen!
Henri voelde een knellenden angst. Een verdoemenis hier. Zijn eigen noodlot spiegelde zich voor... Inderdaad, een felle aftakeling, die morsige, tragische Grosveld! Het overmande Henri, in donkere, dreigende beklemming.
Een sirenehoorn klonk buiten, schel, wrang, als een angstschreeuw.
Wat deed hij eigenlijk hier, temidden van zoo een troep ongelukkige azers en jankende slokops, uitgemergeld door de crisis, die alle vakmenschen vermoordde. En geen sprank van opleven te zien, ondanks tegengezwets van sommige sterrenkijkers. Straks zou Ouderkerk, al dollend, wel met de geschiedenis van Henri's vader Sallie, den grof- en kunstslijper, op de proppen komen. Ironisch, verdekt-hatelijk natuurlijk, maar nauw-omsloten met mes-scherpen spot. Hij zou vertellen van vader's vrouwenmuts, die hij droeg op de fabriek, en dat hij alles over den dwarsdraad nam. Hij zou dollen met vader's zotternijen, in ontzinden omgang met hooggeplaatste gasten, die zijn kunstwrochtselen afkochten. Hij
24
Menachenharten.