365
Zijn oogen rolden heftig door het wit. Zijn neus speelde trompet. Snuif op snuif.
— Hebt u opgelet, meneer Rozenheim...
Een aanstellerig-driftig en zweeterig maJkelaartje, met belachelijk air, schoot plots op Henri's tafeltje af en kneusde Ouderkerk's peuterig vraag-zinnetje. Hij overschreeuwde Ouderkerk:
— Hebt u gehoord, meneer Rozenheim, dat ze wéér verhoogde invoerrechten gaan heffen in Frankrijk, op geslepen?... Zóó iets krankjorems!...
De temerige stem van wéér een ander, drong tus-schen Ouderkerk en Henri in. Een log lichaam, in grijspaars costuum, sprong bij en poogde Ouderkerk opnieuw te verduwen:
— Verekskezeer!...
— Niks ״verekskezeer"!... Ik heb 't woord!
Joost Ouderkerk drong den tweeden, nog brutaleren
indringer bruusk en gekwetst tegen het plotseling toegeschoten, aanstellerige makelaartje op. Toen, onder zwaar neusgesnuif, met rol-oogen, hervatte Ouderkerk zijn zin:
— Hebt u opgelet, meneer Rozenheim, dat er vlak vóór u, op de Amstel, Joden en Christene meeuwen vliegen?
Woedend stampte de plomp-weggeduwde, grijs-paarse indringer op den grond en vloekte gruwelijk naar Ouderkerk:
— We hebben allemaal dezelfde rechten hier......
Spuug jij voor mijn part ossegal!
Ouderkerk's oogen rolden griezelig...
— Pas op, of ik blaas je doormidden!
— Wie breng je mee, jij versnotterde bemoeial?
De logge dreigde:
— Mot je nog méér slippers krijgen?...
Henri begreep niets van zulk kwaadaardig, uit-