363
Rozenheim spitste de ooren. Er klonk iets ongrijpbaars in de stem. Er joeg iets wilds in het griezelige oogen-gerol van Joost. Kerel's booze helderheid van herinneringen werd verweven met vernederendste gebeurtenissen in hun aller vroeger bestaan. Ouderkerk weerspiegelde plotseling allerlei graag vergeten dingen uit vijandig of schaamtelijk verleden...
— Wat hebben ze an hun leege kantoren met stapels goederen?... Ze stappen van hun troon, de koningen, meneer Rozenheim, wat ik u zeg!... Allemaal Achesjwerussen... maar 'n omnibus is óók 'n auto!......
Henri keek schuw rond. Joost Ouderkerk's familaire toon ergerde hem, feller nog dan zijn spot.
— Sjat wat,... hoonde Ouderkerk voort,... tegenwoordig, in een tijd van koningen-likwiidatie en Hamans met wipneuze!... En de Keriath Sefer Thora kan óók niet bijspringe... wat jij Casseres?...
Koopman Casseres, een dwaas buitenaartje met een mismaakte schedelwelving bovendien, grinnikte imbeciel en stak, overjolig, zijn ongebruikte loupe in het rechteroog. Hij rookte een stinkende meerschuimen pijp, waarop een walgelijke otterkop, die gloedbruin glansde.
Joost Ouderkerk met den kleitintigen kop, kende alle ״grooten", alle noodlottig-gevallen machthebbers in het vak en hun verborgenste geschiedenis, met veel bijtender-sarcastisch geheugen dan Jonas Fontein. Hij herdacht de getuimelden, de halve of heele zwendelaars, de verongelukten door crisis en werkeloosheid, meestal pamflettistisch, met koud-wreeden hoon. Ouderkerk noemde zichzelf spotziek....... geheimschrijver van „het vak".
Henri knikte na Ouderkerk's woorden. Joost's oogen wielden snel door het wit. Zijn neusgaten
Keriath Sefer Thora: Een Joodsche Broederschap.