362
— Wat een val!
— Een val?...... opperde Joost Ouderkerk......
Waarom?... We vallen allemaal, meneer Rozenheim, als we maar eerst gaan stompen en tippelen!
— Natuurlijk!
— Er zal toch ééns wel 'n end komme an de crisis?
— Of course!
— Zalle we geen melee's en groote steen en meer zien!...
— Prefeet!
— Zalle we 't vuile afval motte opknappe...
— Hij weet... Beethove!
— Nee jij weet... Is er Afrika niet? Is er dan 'n
wereldvraag?...... Is er Duitschland en België niet?
Wat blijft er nu van hier over?...... Rotzooi, afval,
boort... niks, niks!... Maar 'n end komt an alles... anders voorspel ik je, gaat de Beers nog de mijnen sluiten!...
Ouderkerk's stem klonk heimelijk venijnig.
Joost Ouderkerk, het zeer trotsche en onverzoenlijke hart, was een allemans-kennis; gevreesde, maar nog meer gehate waarheidzegger op de Beurs. Wanneer hij hekelend vertelde, rolden zijn fel-donkere oogen snel door het wit en zijn kromme, groote, snuivende neus stiet onophoudelijk een scheurend geluid uit. Zijn hoek-scherpe kaken knarsten in zijn klei-tintigen kop, onder het spreken.
— Ze binnen uit een krot van Uilenburg gekomme, die Moonsies... Doodgewone water-en-vuurmenschies geweest!... Ze gaan er weer blozend naar toe!
Henri glimlachte zuurtjes en bekeek Joost, die ongevraagd doorpraatte.
— Tegenwoordig is alles hier 'n klucht... De boort-scharrelaars en de bakvulliskoopers en de juweliers
geven mekaar rendez-vous!...... Ze overzeilen zich
geregeld!