361
de vestibule wachten. Wel drommels, wat er nü krioelde in de zaal geleek op een troep werkelooze vrachtkruiers aan kaai of station!
Heel gauw begonnen allerlei Club-handelaars zich roekeloos los te weeken van hun ontzag voor den machtigen Rozenheim. Vleierig en onderdanig vroegen zij Henri, of hij wat voor ze te verdienen wist. Zelfs een Belgisch koopmannetje in ״fitrijee's", sprak heel vrijmoedig den grooten commissionnair aan. Want in Antwerpen verschenen altijd rijkste juweliers op de Beurs... Och, „goederen" waren er genoeg, maar bleek er ook vraag naar geslepen-afnemers?...
Henri antwoordde met beminlijken stemmeklank. Een ijskou van hoffelijkheid verstarde daarna zijn woorden. Zij dropen af.
Toen ging Rozenheim, met strak-gesloten mond, bij de raam-taf eitjes zitten. Al dadelijk zonk hij weg in schrijnend-angstige gedachten... Ook hij ging er aan. Ook hij zou misschien met stille trom wegsluipen. En zij zouden hem belachen en bespotten en roepen als de verliefde Paap:... al-evenwel-Oremus!
De meeuwen warrelden in blindend-witte zwermen over de groene Nieuwe Achtergracht tot vóór de hooge Beursvensters. Ze kreten, de hongerige slokops, als de sjofele Beurs-scharrelaars zeiven. Neen, zoo een klamme misère had Henri niet verwacht. Zoo een troostelooze massa, met zooveel drang tot willen werken!
De lange zoon van SakkieMoons, dromedarisachtig-hoog op de beenen, — vroéger een brandend-ijdel groot-fabrikant, — stond nu verschrompeld, de ver-kleumd-blauwe handen armelijk te warmen aan een kop koffie.
Henri kon zich niet bedwingen. Ook hijzelf snorde tegenwoordig om courtage. Maar zoo!... Deze verwrongen weerloosheid kwetste hem hevig.
Fitrijee's (naar het Fransche: vitriers): glassnijders, soort industriëele diamanten.