359
VII.
Henri Rozen hei m liet zijn auto stoppen op het Weesperplein, vlakbij de woelige Weesperstraatbrug. Sedert jaren had hij de Diamantbeurs niet gezien. In het groote gebouw, met zijn terracottakleurig steen, vond hij iets lichts en iets ellendig leelijks. Over de onaanzienlijke Nieuwe Achtergracht, verlengde van het armelijke Korte Amstelstraatje, dwarrelden bleeke meeuwen.
De stille zijde van het Weesperplein, met de drie breedgeboogde en hoog-overwelfde zaal-ramen en het groen-smalle armelijke plantsoentje vóór de Beurs, was hij vaak langs gegaan. Maar een nieuwen indruk kreeg hij eerst vandaag, nu hij de staalvuil-grauwe, koude blikkering van al de vensterruiten aan den Nieuwe Achtergracht-kant bekeek. Hij zag sulfer-achtig-geel de matglazen aan de blinde Beursflank, diffuus door de vóórvensters heenschijnen. De zes-verdieping-hooge en breede Achtergrachtkant van de Diamantbeurs, vlak nabij het groengrauwe water, met de warrelende vlucht van piepende hongermeeuwen, trof hem door een schokschouderende, trieste verlatenheid. Van de straat af zag hij Beursbezoekers, in blauwwazige verdonkering, alsof zij achter muskietengaas zaten, loom, stil, versuft, hangerig.
Voor de getraliede vensters van de Incasso-Bank, de onderste verdieping, — wat een kuilachtige installatie, mompelde Rozenheim, — wiegelde wisselend en sluipend lampen-goudgloed. Over den kantoreningang op de Nieuwe Achtergracht, kroop lamlendige verveling. Alleen het helle, leverkleurige spektakelgebouw sloeg hard en geducht als een berg in het sombere daggrauw. De erwten-groene torenkoepel hinderde Henri als stomp, belachelijk en dwaas; om te gieren......