357
man-intellectclubje terug naar Bank-inflatie, naar een hausse in schatkist-biljetten; naar politiek, stadsge-beuren, theaters en Amsterdamsche revue's. Hartstochtelijk werd gekrakeeld door een stelletje jongeren tegen conservatieve, Amsterdamsche diamanthandelaren ter Beurze. Ook dit vechtlustige stelletje behoorde bij de reservetroepen van hét intellectueele viermanschap.
De aristocraten van het vak sterven uit, beweerden de ouden wrevelig. En de jongeren kreten er tegenin:
— Wij zijn de vrijkorpsen van de toekomst!...
Een jeugdige kerel, fel-bewogen Magyaren-tronie en vonk-zwarte oogen, dreigde met ingeschroeide stem van woede:
— Vrijkorpsen!... Vrijkorpsen!...
— Jij bent rijp voor 't mamzer Hitier!... raasde een grijsharige makelaar er tegenin.
Maurits van der Veen pikte plechtig in zijn roereieren en deed een wonderlijk verhaal over pas ontdekte goudmijnen en koraal-kalk. Loutere boert, maar allen vlogen erin. Ook wilde hij wel eens gaarne den afstand berekenen, die er bestond tusschen de krijgs-heroïek van koning David en de strategie van oudkolonel bij de Amsterdamsche Schutterij,...... ruiter
Prins... Toen zong hij met nagemaakte sopraanstem:
— Onze Vader, die in de hemelen zijt... die altijd dikke brokken snijdt... en mijn Vader is zoo goed, dat hij er boter en kaas op doet... En de meid heb gezeid, dat de knecht is zoo slecht... die steelt alle brokken weg!...
Het sliffende, schoffelende inloopen en uitloopen van drommen Clubmenschen, tusschen de zuilen in het breede middenvak, bleef de zaal in dof-gonzende woeling en deinendewemeling houden. Maar grijnzend-dood, looderig-dood lag heel de handel onder dien
Mamzer: bastaard.