352
zijn voeten... Kon je óók een bemazzel in wezen, om je geld vast te kunnen houden. Nou zat zijn vader in den smook en hij, als een tronk, in den mist. Hij wilde, Wouter!... Safier verstond de kunst niet om te roeien met een naald; om listig te smokkelen; om nog tonnen te verdienen in de vreeselijkste malaise, zooals die haastige en schichtig-loerende gannef-juwelier Moro en die aartsboef, juwelier Peltenaar, die zich inlieten met allerlei slinkschen en gemeensten zwendel op Afrika... Zoo kon je, onder beuzelklap, gemakkelijk de vier kanten van de Beurszaal laten versieren met briljanten. Kost toch niks. Ze moesten die bloedzuigers van kerels, die hyena's, die azers op een anders ongeluk, rechtovereind den grond instampen. Zou ze heel goed staan!
Filip Safier liep het woelerige Beurslokaal in en haakte Aron Taartendeksel aan, terwijl hij zichzelf, met bolgeblazen wangen, vadsig neersmakte voor het sigaren-kioskj e.
— Aron, kom jij es hier... jij heb toch negotie in visch?
— Hei-je wat voor me?... 'n Congo-lotje?...
— Ja, as je gaat zitten eerst...
— Zitten taartjes eten op 't jubileum van meneer Salemons?
Aron Taartendeksel werd zoo geheeten om zijn gedrochtelijken hangbuik. Hij deed in ״bakvullis" en als
er geen luis te verdienen was, óók in visch...... Het
zitten gaan kostte Aron altijd inspanning; het opstaan nog meer, wijl aambeien hem hevig kwelden.
— Zitten? Voorwat?... Och sjtosj!... Van jouw narrisjkat ken ik niet eten!...
— Waarom neem jij niet de beenen naar Kenya?... Hebben ze weer diamanten opgedolven...
— Effe mit lijn twee na Oost-Afrika...
Bemazzel: geluksvogel, — Sjtosj: onzin.