349
lijden was er een bronstige handelsdrift, wreed-waar van hebzucht; was er een zwellende, gonzende, wriemelende volte; een, elkaar ruw-verdringende, overgutsende belangstelling van koopers om al de raam-tafeltjes, door vlagen van heet lawaai overmand. Hei-zuiver bescheen het koele noorderlicht de schroeiende zakenpassie. Tegenwoordig klonk alleen angstig, wild, traag of dof geschuifel en geschoffel van stappen; al maar stappen over den parketvloer. Nu wolkten er alleen zware rookwalmen en klonk er radeloos-verdwaasd stemmengeronk tusschen weme-lend gedruisch van Clubleden, grauw van sjofelheid en van niet-meer-te-verhullen aftakeling. Neergesabeld werden zij door de wereld-crisis; gevonnist,... afgemaakt!
De beurs geleek een reusachtige, half-leeggeruimde of in verval-geraakte concertzaal, waar vele grimmige zorg-menschen kromgebukt heenslopen om warmte en bescherming, in grillige behoefte, elkaar sensationeel te vertellen van hun kwetsbare malaise; om eikaars nood zacht-fluisterend uit te klagen of elkaar bruisend te overjammeren, tot onderlinge troost. Zulk een traag-uitgetelde verlatenheid tusschen woelende menschen, verslagen eigenwerkmakers, commission-nairs, half-failliete kleinhandelaars, industrieele boortkoopers, verarmde fabrikanten, steuntrekkende scharrelaars, overstuursche gasten en lustelooze buitenlanders, in het zinkend grauw van een, met sneeuw dreigenden Januari-hemel, had de Amster-damsche Diamantbeurs nog nimmer te zien gegeven. In gruwelijkste crisistijden en meest teisterende werkeloosheidsperioden niet. Het éérste, angstwekkende oorlogsjaar zelfs, bracht een geheel andersoortige remming-van-bedrijf in het vak; een geheel andere opwinding, geslagenheid en stagnatie onder de ontzette diamantairs.