348
naar de Nieuwe Achtergracht, in de vale blikkering van haar étage-ruiten.
In de ontzaglijke binnenzaal dreef loom geroezemoes van stemmen uit, gonzend en golvend, overal heen, als het plassend geluid van een scheprad door water. Tafeltjes tegen ramen en vensters, waren schaars bezet. De meeste diamantairs slenterden sloom tusschen genummerde zuilen, — breedste loopvlak, — of langs de zijkanten. Ook stonden er Clubleden, bij troepjes, heftig of zacht-somber te praten. Onder de marmeren klok, vlak bij de telefooncellen, keek een droomerig-uitstarend mannetje, scheeloogige Gay Rijs, in bakvuilnis, naar het uurwerk óp en stotterde onnoozel het rijmpje na:
Gebruik het uur, 't Is kort van duur. De Tijd gaat vlug, Keert nooit terug...
— Nou, die péstijd hoeft ook nooit... nooit meer terug te keere,... mompelde hij troosteloos voor zich heen.
In de zaal klonk telkens echoënde stem van den radio-luidspreker, die namen van telefonisch-opge-roepenen, weidsch-galmend, met hollen zwaai, donker en vibreerend-diep van klank, door het ontzaglijke lokaal afkondigde.
Schrikkelijke misère drukte de ״Diamantbeurs". Niemand kocht; niemand verkocht. Geen Clublid opende meer tasch of portefeuille. Handel en markt bleven morsdood. Uit alle hoeken doken zij op, pijnlijk-verwrongen wanhoopskoppen, ellende-gezichten, pogromachtig-uiteengejaagde, werkelooze stoeten. Handen grepen krampachtig in strubbelende leegte, altijd leegte. Want er ging niets om...... In drukke