342
— En je studie?...
— Zei ik u al,... onderbreek ik, als Hereira niet wil, dat ik doorga.
— Hij wil... hij?... stotterde Henri.
Drift-opwinding begon opnieuw in hem te woelen.
Was het hooge gras al over hem gewassen? Bezat een totaal vreemde snoeshaan dan al zooveel macht over zijn bloedeigen kind, zijn dochter, dat een vreemde meneer zoo-maar kon willen en niet-willen? En hij zwéég bij zulk een suggestie? Onbegrijpelijk-idioot voelde Henri zich geknauwd, verworpene in zijn aftakeling. Dat was nu Rozenheim, die altijd voor zijn personeel en voor de heele buitenwereld ongeschokt en onbewogen, tegenover alle misère had stand gehouden. Zijn gansche levenskunst scheen bezweken in duistere angsten en beklemmingen, bij het verlies van zijn fortuin. Neen, hij was nu niemand meer een raadsel. Alles in hem noemde hij angst-wankeling. Hij, vroeger verzot op oierlijkheid in kleeding, in taal; verzot op het hoffelijke, galant-ridderlijke, hij was slordig geworden op zijn kleêren en nonchalant in heel zijn omgang. Dat ervoeren ook zijn kinderen. Vandaar hun toon, hun ontzaglooze houding en wrevel. De cholerische Maggie durfde hij wel aan te pakken. Die meid had iets intiems en spontaans, dat onmiddellijk aan zijn eigen wezen verwant bleef. Maar de duivelsche meid Caro, had iets schamper-spottends, iets kil-trotsch, dat hem hevig prikkelde en tegelijk schuw verstilde. Al haar student-vrienden en -vriendinnen had zij onder den duim. Zij had dadelijk contact of
dadelijk conflict...... Zij studeerde medicijnen en zij
volbracht de studie strak, scherp, of zij geen klap gaf om iets anders. Nu ineen Jonkheer D'Ancona! Klets... daar lei de heele boel...
Henri keerde terug op het laten sjmadden van Jonkheer D'Ancona en zijn Joodsche familie. Dat