339
Caro op, snel, wonderlijk-rijzig, de goudnevelige oogen pal in Papa's oogen.
Henri schrok van haar onverwacht verschijnen en van zijn eigen, nerveus-verwarde ontroering. Een malle benauwing overrompelde hem weer heelemaal. Hij bebeet de droge tong; hij voorvoelde strijd. Tegenover de kinderen werd iedere kamp, vernedering, verdriet.
Caro kwam Henri vóór de lunch wel eens meer afhalen met de auto. Maar dan liep zij niet naar boven. Op den middag bezocht zij hem nooit.
Henri zag ook in Caro's gezicht iets wild-gepassio-neerds, iets gejaagds. Zij wou spreken, spréken. Dat kon Caro zoo hebben. Dan ontstolde haar hartstochte-looze ongenaaklijkheid; werd zij lokkend en licht van gang, als Maggie. Zij had weer haar zenuwachtige bui. Haar goudglanzige oogen blonken onnatuurlijk-fel. Het gaf hem een vreemd onbehagen.
Caro wenkte, achter Van Rees' rug. Zij wou Papa even op zijn privé-kantoor hebben. Alvast liep zij erheen.
— Jij, kind?
Idiotie toch, zijn onrust, zijn angst en schrik! Maar hij kon ze niet meer verbergen achter een onverschillige schijnhouding.
Henri kuste haar vluchtig en verzocht Van Rees, op het groote voorkantoor te wachten. Wat was zij toch mooi, Caro. Een heerlijk snoetje. Een fijne aristocrate, zoo fier en koel-trotsch! Al kende hij ook Caro's egoïstische grilligheid en haar plotselinge toeschietelijke verteederingen. Hij voelde juist nu een smartelijke gescheidenheid tusschen zichzelf en de kinderen. Zijn élan was hij kwijt om het te loochenen. Ja, die meid had een uitmuntenden studiekop. Zij sprak altijd scherp, gevat, bij het bitse af. Professor Kooistra bleef verrukt over haar leer-gemakkelijkheid.