334
loos woord: hoop, volharding, energie, werkkracht.
De menschen waren beu van alles; het eerst van luxe-rommel! Moest, moést hij zich nu insmoezen: je geslepen stock kan niet meer dalen, niet waardeloozer
worden? Ze moest stijgen, ze moest, ze moést!......
Zeker bij het telkens krankzinnig wankelen en loslaten van den boortprijs? Hij gierde er van binnen om. Want zijn angst greep naar heel andere taal. Zijn angst was veel intensiever; was een blijvende gedruktheid. Al zijn denken, doen en handelen stuiptrekten. Al zijn gedachten bleven doormengd van dien vreeselijken, benauwenden angst. Hij noemde het prangender, wanhopiger dan vertwijfeling. Het was een gejaagde, alle rust wegvretende, stille woede, een hevige opwinding om ieder dreigend gebeuren, met de overheerschende idee: alles ging toch naar den bliksem. Alle menschen, alle dingen kregen ademnood. Alles moest verstikken in zulke toestanden. Goed, goed... bezuiniging, inkrimping, die eigenlijk elk genoegen verminkten. Maar dan? Want bezuiniging en inkrimping hadden alléén zin als ze werkelijk verlichtten. In dezen verwilderden woel-chaos hielp echter niets meer. Waar moest het heen? Een veel te groot kantoor nu; een zeer omvangrijk personeel, strop op strop, alle bezit vast in stock; geen verdienste... alleen uitgaven! Was het te verwonderen, dat dolle, nerveuze angst hem de keel toeperste; dat zijn bestaan één zwirrelende, zwarte nachtmerrie geleek? Henri wilde actief, impulsief zijn, maar hoofd en handen bleven leeg. Alle werkdadigheid liep dood op den lamgeslagen handel, op honderd hindernissen. Zijn ״spheer" was hem nijpend weggeroofd. Van elkeen werd hij afhankelijk. Zijn gezag was ontworteld; hij telde niet meer mee. Bakvuilnis-koopmannetje en „millioenair" Rozenheim stonden op één plan te worstelen, te kampen in een vernederenden bestaans-