332
veranderde nauwelijks. Markten van geslepen en ruw, bleven dood. Omzet nihil. Daarnaast blonk eind 1929 nog fleurig óp. Uitmergeling en armoe waren oneindig veel erger geworden. In de heele industrie kwam geen deininkje, geen schokje, geen beweging. Wisselende waardevastheid van zijn, al sneller slinkende stock, bracht hem slechts verstikkende benauwingen. De ellende van de diamantbewerkers was afgrijselijk, zeker. Maar niet minder angstwekkend en aangrijpend, meende Rozenheim, van makelaars, werkgevers en juweliers. Geen hunner kon zich meer handhaven, eigen ״moeilijkheden" verstoppen of in grootspraak blagueeren. Zij zaten allemaal in den knoei. Zij leefden allemaal in vrees en tragische be-narring, bij de opening van 1932. Zelfs Jonas Fontein had zijn sprankelend-jolig humeur verloren; zong niet meer „Rigoletto" of „Lotario" na. Alles wrong zich naakt tot ader en vezel. Ook die weglacher van misère, raasde, vloekte; was onherkenbaar in zijn barsch, snauwend gedrag en naargeestige stemmingen. Vroeger kon hij, in de ergste ellende, nóg van den ouden tijd ophalen. Tegenwoordig? Al zijn moed, energie, durf, nu er geen enkele transactie afgesloten werd, schenen verloren. Henri wilde, kon zichzelf niet zottebollend misleiden. Zijn hyper-intellectueele, wrang-toegespitste zoon Leo zorgde er wel voor! Hij zag overal koortsachtig, het onheilspellende, het schrikwekkendd; het enteren van de burgerij door communisten en fascisten. Rozenheim was bang. Maar niet gewoon bang. Hij was hevig, gedrochtelijk benauwd en hij werd door troebele angstgevoelens voort-gezweept. Zijn heel zenuwleven scheen in de war geraakt.
Vroeger kon hij dien angst temperen, wegwerken met zelfpraatsels: het vak had altijd hevige inzinkingen, verslappingen en zelfs volkomen stilstand gekend.