331
den nood. Het vak was heelemaal kapot; heelemaal vernield.
Esther voelde waanzin-wanhoop in Henri's halfgesmoorde dreigwoorden. Zóó afgetakeld en ontzind van vrees had zij haar man nog nimmer gezien. Een-en-al innerlijke en uiterlijke verwrongenheid; volgeladen van hoon en brandende drift tegen en op alles. Haar gentleman-Henri scheen onherkenbaar, vergrofd door zaken-misère en geldverlies.
In huis moesten nóg grootere bezuinigingen geschieden. Gisteravond wéér een lang onderhoud met zijn accountant en hoofdboekhouder. Bracht alleen verbijstering. Henri ontdook alle mooie praatjes over energie-bewaren, niet zich laten neerdrukken, kop ophouden... Hij alleen, in werkelijkheid, wist hoe erg de uitputting in eigen affaire en geldmiddelen verliep; hoe alles teloor ging. Hij durfde de cijfers nauwelijks voor zichzelf verwerkelijken. Oudejaar en Nieuwjaar waren doodonverschillig, als banale gebeurtenissen over hem heengegaan. Henri hoorde geen schoten; alleen de alarmklok... Hij rilde en beefde. Het was in de allereerste plaats niet meer de vraag, of de goudvaluta zou standhouden. Ieder economisch probleem kreeg in deze ondermijnende dagen, voor zijn onge-peilde zelfzucht, een wankelende waarde. Ook de financieele pers interesseerde hem luttel. Hij voelde nu éigen ramp het diepst. Zülk een gevoel van alge-heele maatschappelijke versplintering en vernietiging had Rozenheim nog nooit doorleefd. Afgrijselijke sensatie! Iemand, gansch ongewapend, injagen tus-
schen uitplunderende rooversbenden....... kón niet
erger zijn.
Vroeger speelde hij met vuur. Nü mocht hij vonkjes blazen uit een testje doove kooien. Zoo werd zijn kracht latent en verlaagd.
De wereldcrisis, in haar catastrophale uitwerking,