328
Er was iets tweeslachtigs in haar verontwaardiging. Zij stoof op en zij begreep Josua's verzetdaad. Ook Uriël beaamde Mama's inzicht, maar tegelijk verdedigde hij Hereira. Oom Josua, meende Uriël, bleef onder alle gebeuren een man van gróót karakter. Papa had hem doodelijk beleedigd, in wat hij het liefste op aarde bezat: zijn vrouw. Uriël verwachtte dit verzet van oom Josua; van deze gebroken en toch zuivere ziel.
Uriël's wroegende moeder keek beduusd. Om den mond een snijdende smarttrek, en zenuwtrillende lippen. Zoo, precies zoo, had zij hem dien middag haar eenzaamheidsleven onthuld...
Esther bleef haar jongen bestaren, het waaierige glanzen van zijn sterke, lichte oogen. Zij fronste snel de wenkbrauwen, de handjes persten tegen de slapen. Hoe vreemde, begoochelende kracht bezat Uriël toch soms. Wat zij voor zichzelve dwaas, onmenschelijk-hardvochtig en van een ziekelijken wrok vond in Josua Hereira, — al begreep zij 's mans onheil-gedachte, — dat wist haar jongen door een heel ander, ongemengd gevoel inéén in haar stuk te brokkelen... Esther kon niets meer van haar vreugde achterhouden. Zij had haar lieveling weer, nu hij zoo onverborgen uit zijn diepste wezen haar vertrouwde. Balsem tegen de stoïcijnsche snerping van Leo en de valsche argeloosheid van Henri, wanneer hij over Uriël sprak. Nu was zij als een muntstukje in Uriël's hand, dat hij gedachteloos om-en-om keerde. Esther voelde weer de overeenkomst met alles van haar mijmerenden jongen; met zijn hang naar het melancholieke, met het zwijgende en zijn toch vitaal idealisme. Maar op zulk een verhaal over het saamtreffen van Rebecca en Uriël, was zij niet voorbereid geweest. Het was haar alsof zij in een takkenvuur staarde. Telkens versprongen de vonken. Nu besefte zij in gedachten-duizel, dat