323
door den schatrijken, trotschen Jonkheer Hereira d'Ancona......
Uriël's broer Leo steigerde alleen op intieme fuif-avondjes; scheen den schimpmond te temperen; snoof minachtelijk slechts fijnen tabaksgeur uit een Ameri-kaansche pijp en noemde Pipa, een twee-dimensio-naal-vergroeid ef f ectenmakelaart j e. Zelfs Maggie bleef onderworpen, wat ingezonken; praatte en lachte heel zacht en bedeesd met haar athletischen Bob Versteyne, dien zij een draaideur noemde of een ratel-populier. Hij bewoog wel, maar kwam uit zichzelf nooit van de plaats...
Gril of geen gril, het trof Uriël. Alles was in één jaar tijd zoo oneigenlijk geworden, zoo veranderd in den valen misgroei der crisis. Toch had Uriël diepen kommer om Rebecca en om haar benarring thuis. Wat moesten zij beginnen? Haar vader, Josua, weigerde doldriftig Uriël's naam zelfs te hooren. Voor dién man was hij een onnoozele blaag, een sentimenteele vijands-zoon, een berekenende schoelje. Hereira's protest ging heel stuntelig teloor in het brandend vloekgeraas der jongens, maar hijzelf hield stand, tegen wreed-sarcastische woede van Sem Bullebak, tegen rebellie en opzweeperij van welbespraakte Moos en Jaap, tegen smuigster, leugenaarster en konkelaarster Truddie, met haar roddelende snavelscherpte.
Ook Uriël's rustelooze vader zou god-weet-wat-voor uitval doen, wanneer hij van hun tweetjes iets vernam!...
Rebecca omlijnde, al luisterend, met de spitse vingers het fijne brauwboogje... Wat een verwilderend onheil veroorzaakte nü reeds hun saamzijn! Zij zocht pijnigend naar zondige oorzaken in zichzelve. Wat was er toch voor slechts en leelijks in haar gedrag? Zij voelde het vroeger heel sterk; later veel minder, nu zij haar ״geheim" had uitgesproken. Zij haatte het