321
met vroegere avant-garde-lui en dadaïsten, opnieuw aangeknoopt waren door zijn groep; éérst volgers, later verwerpers van Tzara, Arnould, Dermée. Hij had nu ook Hoeyendos, de ״avant-hier", uit zijn verouderden rommel weggelokt...... Zij misten „creatief
vermogen" en essentialia. Zij waren niet egocentrisch, niet amoreel, niet cynisch genoeg. Hoeyendos, volslagen liefdeloos être, voos minnekoozer, werd nu althans panigyrische nulliteit, ver onder Europeesch peil!......
Van Haeften aapte Janus Belhamel van „De Bezem" na; schimpte, — maar lang niet zoo kernig, —• wrang, gemeen, verdachtmakend op de roode kuddedieren der S. D. A. P., de roode hondsdolheid, die je met stoffer en blik moest wegbezemen van de aarde... Van Haeften citeerde luidruchtig pamphlet-verzen van Vaillant-Couturier, „Danses des Morts", die hij even later ook als vernederende rotrommel bespotte, door vunzen achterklap belaagde, tegelijk met de zeep-en-schuimbel in onze letteren: den lyrischen zoetekauw Jacques Perk. Toen brabbelde hij wat boosaardigs over den Jood Herman van den Bergh, drastisch duvelsjong van Baudelaire, die eigenlijk moest worden
gehakenkruist...... In dien althans was het laaiend
semieten-gemoed gestold en bevroren.
Uriël bracht Van Haeften tot razernij, door een half-schertsende dithyrambe te houden op Duhamel.
Van Haeften spoog woest-hautain uit:
— De kleefkwal!
Hoeyendos, naast hem, zong sarrend:
— Vivat academia,... vivant professores!...
Ook Lubbers en Dogger prikkelden, met hun „blinde stomheid" over stoffigen, achterlijken Verwey, den kletsjanus en temer Dirk Coster, den vermolmden, miasma's-uitpuffenden Ritter, — hem zóó hevig, dat hij schier berstte van toorn... Al die
21
Menschenh&rten.