320
een prachtige Angora... Tillema vond dit oordeel verschraling van Schnitzler's wroegings-genie. Schnitzler mengelde den angeldiep-wondenden geest van Heinrich Heine en Anatole France dooreen in zijn vernuft en in zijn melancholie. Ze overheerschten als droeve, droomrige muziek. Voor hem was er groote ontferming en troost in zijn verbeelding en in zijn weemoed. Dostojewskiaansche ontferming.
Met gesmoorde geestdrift sprak Tillema ook over den smartelijk-schuchteren en miskenden Germain Nouveau; en nóg vuriger over Mallarmé, wiens beruchte ״duisternis" hem eerst onlangs was geopenbaard, door een diepere studie van het taaleigen.
Ook vriend Dogger bezocht Uriël vaker en Rozen-heim genoot altijd weer van zijn fijn-schrandere, natuurlijke intelligentie. Dogger's oordeel over ouderen en jongeren, bracht hem vreugde. Hij oreerde niet over constructivisme, hij was zelf geboren vastlegger van verhoudingen in alles, door impuls en toch sterke zelfbezinning. Zelden hoorde Uriël zóó kernig Verwey beoordeelen. Met de wijsgeerige diepte van Van Eyck en de vormdriftige bewogenheid van Marsman. Zelfs Van Haeften kwam vaak opwippen en Piet Huygens, de ultra-modernist met het stroogele haar. Zijn oogen flikkerden, toen hij verklaarde, dat op een hoogere trap van cultuur, het losse schilderij gewoonweg ophouden zal te bestaan. De kunst heeft zich in opzettelijkheid uitgeput. De kunst heeft zichzelf overleefd...
Huygens' varkens-wroetsnuit snuffelde... Er werd serieus geluisterd naar Piet-hiette-de-die!
Oud-Gymnasiast Van Haeften zag op Uriël's bureau een nieuwe uitgave van de „Historie der Vier Heemskinderen" liggen. Hij wist té weinig van Renout van Montelbaen, om laatdunkend, brutaal en hymnisch te schelden. Daarom vertelde Van Haeften stotterend en toch woordgulzig van hartstocht, dat zijn relaties