317
achter, afgetakeld; alleen zij, zij,... door een Rozen-heim van hem gescheiden. Sem, die ging trouwen met een vreemde Christin en wiens leven zoo donker werd
als een dievennacht...... Moos, die hem pestte en
vloekte met driftig-saamklonterende woorden... Bram, van wien Hereira met zwijgende angstigheid bemerkte, dat de jongen met Reintje Plukker scharrelde... Jaap, die schaars naar vader omkeek, nu hij in een eersterangs-liefhebberij-jazzband zat en slechts repte van zijn sopranino, van half hot, half straight... Al ellendiger scheurden zijn kinderen zich van hem af.
Rebecca kon, wilde niet langer het slepende, martelende zwijgen. Zij begon onverwachts met haar vader te spreken, zoo in-wanhopig en zielsbewogen, dat Josua zijn hand bevend naar haar blank gezichtje uitstrekte om het schuchter te streelen. Toen keek hij, bleek en ontroerd, naar den flikkerenden uitbloei van de bovenaardsch-glanzende Chanoekielje-vlammetjes. Voltallig acht lichtjes op één rij, vlak bij elkaar. De koperen middenschacht blonk als een gele maan in kamerruiten.
Josua luisterde naar zijn dochter en droomde ten halve weg in de vloeiende, rein-gouden lichtjes, die dansten, eindeloos dansten. Maar toen Rebecca heel bewogen en schichtig, den naam ״Uriël" uitsprak, voelde Hereira zich bij de keel gegrepen; sprong hij plotseling wankel op en dreigde onmiddellijk weg te loopen, wanneer Rebecca op dié manier verder ging. In zichzelf mompelde hij: waarom krijgt die zwakke tobberd, gehoond en gekrenkt, plotseling kracht van een reus? Om te straffen, die zijn ziel mishandelen en zijn lijdzaamheid tergen.
Het klokkespel klonk grommend en loom over de dwarsstraat. Rebecca rilde en dacht, dat Josua het besterven zou in zijn rieten stoel, zóó ontdaan zat hij te