316
afgoden. De Heilige Tempel werd weer ingewijd. En toén ontgloeide in de Heilige Stad het krioelende lichtfeest der Maccabeeërs; stoute vechters, die het Verbond der Vaderen getrouw bleven. Al de krijgers, die het Godshuis heelemaal hadden gezuiverd van onreine goden en afvalligheid, stootten juichend hun lange speren de aarde in en hingen er lampen en vroolijke lichten aan te schommelen. Stik-donker Jeruzalem, in den nacht, flonkerde van brandende speervlammetjes en tot den hemel warrelde hoog, een gouden mist óp. Achter het vuur kropen schaduwen van de Syrische legerhorden...
Zoo, in zinnebeeldige taal, had Igmaniz soms fluisterend verhaald van het wonder; van het eeuwige, gouden Tempellicht, het Ner-Tamied, de eeuwige lamp, het heilige en ondoofbare...
Zoo had Igmaniz het vorige jaar over Chanoeka verteld, met een verschroeide ziel, om Rebecca's stil afwijzen. Hij verscheen niet meer in de Zanddwars-straat, noch zijn vriend, de volksopvoeder Rebbe Herschel. Een tweede mokerslag,... de man, die met God wandelde, de man, die hem de innerlijke, stille blijheid der ziel had geschonken. Zoo gansch anders dan de menschelijke vreugde.
Nu wrokte er alleen traag zwijgen.
Op den laatsten Chanoeka-avond kón Rebecca het niet meer harden. Josua kwam uit Snooge, wezenloos, verkild van kou en mist. In Snooge had hij vlak voor de Chanoekielje gestaan... Ieder mensch was blind voor zichzelf, mijmerde hij na. Nu bleek hij het eveneens voor anderen. Rebecca zag Josua al grauwer en ziekelijker verkwijnen. Ook het schandaal met Sem, haar hondschen broer, die telkens wat slibberen liet over zijn meid en dreigde de blonde spot-sjikse mee naar boven te zullen brengen, — kwelde en vernederde haar vader onduldbaar. Al eenzamer bleef hij