312
Rebecca kwam vanavond Josua weer de aansteek-kaars reiken, en straf omklemde hij toen den Samaas, zonder beven.
Opnieuw groepeerden zich alle huisgenooten en familieleden om en achter Josua, die nu, oneindig droef en zacht, met een teruggedrongen snik, lofspreuken zong. Bij het slot eerst klonk zijn stem ongekwelder, rustiger en vaster. Het oude geluk omkoesterde hem weer. Hij waande zelfs één oogen-blik het vroegere kostertje van de Zuiderkerk te hooren, in de duistere trapgangetjes...
Innige bekommernis had hij voor kostertje's onttroond bestaan; soms meer dan voor zijn eigen zoon Sem......
Josua tuurde stil naar de godsvlammetjes, naar zijn familie, zijn zoon Bram, maar lang en telkens opnieuw, naar het heilig-ontroerd en bewogen gezichtje van zijn gezegende Rebecca...
Baroech Hasjim,... zijn gebensjte was er weer!
Baroech Hasjim: Godlof.