311
Oom Salomon bracht hem naar zijn donker achterkamertje, te bed.
Rond het Chanoeka-maal wankelde een doodsche stilte.
VI.
Zij was teruggekeerd.
Josua sidderde en zweeg, toen hij zijn dochter voor het eerst weer schuw zag staan.
Rebecca, één oogenblik, deinde naar hem toe, maar bleef plotseling roereloos. Er was een driftig-afwerende smart in Josua's houding, die haar verstomde. Zij voelde, dat hij zou rillen van een omhelzing... Rebecca's sereen gezichtje staarde naar Josua. Haar vader scheen in eenige weken, tien jaar ouder geworden. Zij drong gesnik terug en smoorde het schreien.
's Avonds, vóór het eten, — Rebecca had weer gekookt, — moest de Chanoekielje ontstoken. Er groeiden roode goudvisschenglans en ijle weerschijnsels om de Chanoekielje.
Oom Salomon had van zijn paar steun-centen nog een gehavend ganzebord meegebracht met een half ons kriekjes.
— Versta wèl... as je al in de put zit, ken je d'r dóch nooit meer inkomme,... poogde hij te schertsen, dol-gelukkig dat hij Rebecca's heerlijk snoetje weer zag. Mordegay, Sak's jongste zoontje, at al de kriekjes heimelijk uit het verfrommelde zakje. Een heftigen houw kreeg het kereltje op zijn arm, toen broer Sak zijn gulzig snoepen merkte.
— Komp 'r op an!...... Laat 't kind nasje.......
beaamde oom Salomon gul.
Er was geen boterkoek en geen koffie, maar er was méér,... veel méér,... Bekkie, zijn engel van eennichie!