310
twee zoontjes Daantje en Mordegay naar elkaar toe, alsof zij hen iets heel naars wilde besparen.
De Chanoekielje glom, door weduwe Aboab flauw opgewreven, met dof-koperen glanzen, geheimzinnig, wachtend op den luister van haar eerste twinkelend-dansende lichtjes.
Josua keek óp naar den vlekkigen vochtmuur en bekraste slap zijn baardje. Alles was dood, dood, grijnzend, ver en leeg voor hem. Hij moest de zang-lofzegening inzetten, maar de dikke keel kneep toe en de stem stokte. Zijn hart hamerde en Josua duizelde, alsof hij van een schommel achterover vallen zou. De kaars begon weer hevig te slingeren in zijn beefhand.
De mannen om hem heen wachtten angstig op de dingen, die gebeuren gingen. Neen... Josua, met al zijn geloofskracht en religieuze overgave, kon zich niet meer vermannen. Een openrijtende smart verkromp en verpijnde zijn heele trillende wezentje. Hij moest zingen, den eersten lofregel. Maar zijn stem smoorde in zijn uitgeschroeide keel. De mond verwrong en verstijfde... Josua zag bang naar het geel-bleeke glimmen van de Chanoekielje in het scheem-rige kamertje. Om zich heen ontwaarde hij niets dan strak-benarde gezichten. Alleen, het lieve snoetje van Rebecca zag hij niet,... het snoetje van zijn Rebecca!... Hevig wanhoopsverdriet gilde stil in hem óp. Met felle inspanning, eindelijk, zette hij heesch den eersten regel in:
— Baroech atta Adonay...
De mannen zongen mee, om broer op streek te helpen. Maar Josua's handen begonnen weer zoo hevig te beven, dat hij het eerste pitvlammetje niet eens kon bereiken. In scheemrig tafellicht zagen ze Josua's mond al stuipachtiger trillen. Hij waggelde. Oom Salomon sprong bij. Plots snikte Josua uit; zakte hij wezenloos zijn rieten stoel in.