309
gezang... Sjéh ngassa nisiem laabotenoe... bejamiem hahem lazeman hazé...
Den volgenden avond twéé, den laatsten avond acht lichtjes. Dan, al vroolijker, juichende goudglans van de dansende pitvlammetjes, in krans van blauwe sterretjes het wonder van Chanoeka......
Josua rilde koortsig, toen weduwe Aboab strompelend hem de kaars, om den Samaas te ontsteken, kil-onverschillig toereikte. Josua wilde zich vermannen en ontrukken aan zijn naargeestigheid.
De oude, gedreven koperen Chanoekielje met haar symbolische graveersels, glom versleten in den zwakken tafellampschijn. Alle vierders van ׳het Mac-cabeeënfeest dromden óp naar de Chanoekielje, achter en om Josua. Bram's gitzwarte kuif stond straf boven het ontroerd-wit, fijn gezicht. Naast Bram rankte blonde Reintje met de flikkerhelle, zinnelijke oogjes; diepe lokgrotjes van licht. Zij stond er als een Christinnetje, vreemd blond; om haar kleêren heen geurende, zwoelzoete parfum. Lange Sak rekte zich ver boven Delphientje. Zijn blauwe onderlip tuitte aapachtig-zwaar uit.
Josua's doorkrampt gelaat grauwde. Groeven sneden smartgeulen erin. Oom Salomon vreesde, dat Josua zou bezwijmen en ging vlak achter hem staan. De afdruipende kaars beefde zoo hevig in Hereira's hand, dat hij heete vetdroppels rondstrooide. Breedge-heupte weduwe Aboab, met half-toegeknepen oogen, schreeuwde schril en nasjte snel ׳iets op...
— Me goeje rok... addenom... niks voor mijn!
Rachel, Salomon's vrouw, de knuistjes op haar raafzwart-glanzenden bandeau, sprong zijwaarts van schrik. Haar dikdomme hoofd lachte lijzig. Delphientje, grijze Sak's vrouw, greep bang-beschermend haar
Sjéh ngassa etc.: gedeelte eener tweede lofzegging, uitgesproken bij het ontsteken van het Chanoeka-licht. — Nasjte: snoepte.