308
Rebecca's meisjesdroom als een almachtige held... Josua vereerde vooral in Mattithjahoe's zoon, den hersteller van den Jeruzalemschen tempeldienst, den zuiveraar van vijanden. Rebecca, den moedsman, den opstandigen Maccabeeër, die Lysias versloeg en de Joden redde uit handen van bloedgierige slaven-koopers. Daarom bracht ieder jaar, als in den winter Chanoeka kwam, dit lichtjes-feest haar een fel-ontroerende verblijding. Zelfs het ganzebord, dat zij met vader, oom Salomon en de anderen speelde, en de donkere dagen en avonden zoo opvroolijkte. Het was Rebecca een uitzonderlijk genot geweest en gebleven, voor Chanoeka alles stipt in orde te hebben: de koperen Chanoekielje onverbeterlijk opgepoetst, de blanke olie, de gezuiverde lichtbakjes, den ontsteker, den Samaas. Geen smetje mocht de Inwijdingsstemming bederven. Na snooge, vader thuis....... uit
guren mist, sneeuw en kou in de potkacheltjes-warmte. Zijn pantoffels, zijn kalotje, de Chanoekielje. Het maaltje dampte. En hoe arm ook, er was innige vreugde en koesterende blijdschap in hun tweetjes, om God's dansende lichtjes, die apart glansden tegen het armelijke muurtje naast moeder's uitgebleekt portretje. Vader zong erbij, zoo zacht en toch zoo jubelend-stil en verrukt, met verdrongen smart om Judith-zaliger; om de jongens. Gezichten van familieleden, vergat zij nooit. De grijzig-saamgekronkelde bakkebaardjes en het plechtig-trotsche, goede gelaat van oom Salomon, met de naïef-pralende, groote oogen. Den oolijk-ironischen lach van doodmageren oom Sak met zijn blauwige, zwaar-uitgezakte onderlip; het knaagmondje en geeltanige muizengezichtje van tante Truddie en de waterig-glimmende loeroog-
jes. En zoo allemaal anders, maar allemaal blij......
Dan eerst één lichtje, met vreemd-bekorend klank-