306
Josua hoorde haar en de kinderen weer. Een zalig gevoel van herinnerings-geluk smoorde hem de keel dicht... Doe veel, zeg weinig,... zóó klonk het woord van Sammay in hem. En hij leefde nog in algeheele overgave aan God.
Oom Salomon wilde Josua vanavond het werk niet uit handen nemen; zou zijn broer misschien nóg dieper scheuren en krenken van binnen.
— Versta wél... hij gunt 't mijn!
Hij nieste.
— Chajiem tobiem,... zegende zijn vrouw Rachel.
— Beracha toba!... zegende oom Salomon snel terug.
Oom Sak Hereira keek suf voor zich uit. Zijn grijze kop lodderde. Er heerschte een akelig-gedrukte stilte. De zingende stemming van ieder jaar bleef weg. Buiten,... mistkilte en scherpe kou. Om half vier al Sabbah! Hier in huis scheen het nóg mistiger en duisterder. Niemand sprak. Tante Aboab was bezig in het keukentje, met dampend, reukerig eten en met
snoepen. Zij noemde zoo iets........proeven" of de
dingen genoeg zout kregen... Van het zout bleef alles, van het snoepsel niets over. Rachel, vrouw van Salomon, smakte speelsch met de lippen; vervelingsver-toon. Phientje, Sak's vrouw, „stond staande", naar Truddie's nijdig woord, een blauwe trui te breien.
Met uitgemergeld gelaat zat Josua, vermoeid, te hijgen in zijn rieten stoel. Bram was er, met slanke Reintje Plukker. Het anders zoo luidruchtige, opgedofte meisje met den messen glans in haar tartende oogen, durfde hier nauwelijks spreken. Rebecca, in haar ongereptheid, vereerde zij nog altijd. Reintje voelde zichzelve ongelukkig, nu Rebecca zoo gemeen werd behandeld. Zij kon dien hardkoppigen, vromen
Chajiem tobiem: gezondheid. — Beracha toba: insgelijks.