V.
305
In Josua's schamele woonkamertje hing de groote Chanoekielje van gedreven koper tegen den vochtigen muur. Een strijd-tafereel uit het leven van Juda den Maccabeeër, derden zoon van den priester Mattith-jahoe, den Strijdhamer, stond erin gegrift.
De heele familie at weer bij Hereira, op Chanoekafeest. Josua was pas uit Snooge, het hooge Heiligdom, waar de Eeuwige in troonde en een stilte rondsloop, die hem ieder uur erger beklemde. Want de naam van
den Hooggeprezene roerde hem nauwelijks...... Hij
bibberde van koü. Zijn woning was dood voor hem. Alles erin leek uitgestorven. Hij durfde nauwelijks naar de Chanoekielje kijken, al streelde van verre zijn hart de lichtjes-draagster en den Hebreeuwschen tekst, gegraveerd in de koperen bladen, weerszij een ingegrifte, negenarmige Menorah.
Voor het éérst, in drieëntwintig jaar, Chanoeka,... zonder Rebecca!
Josua's oogen zwollen in zijn hoofd als vuur. Hij stikte half van benauwing. Zijn ziekelijk gezicht met de diep-schaduwende wallen, verstrakte al smartelijker... Geen lepel eten zou hij erdoor krijgen.
Straks moest Josua de Chanoekielje ״anzinden"... Hij huiverde.
Sedert haar vierde jaar, had Rebecca hem de kaars, om den Samaas te ontsteken, overgereikt. Terzelfder-tijd zong zij méé al de Lofzeggingen, met haar fijn en engel-rein kinderstemmetje. Toén deden de jongens ook nog alles. Toén kon hij nog, als vader Jacob, zijn zonen ieder naar zijn zegen zegenen, naar hun aard en aanleg...
— Baroech atta Adonay, Elohenoe meleg hango-lam, asjer kiddesjanoe bemitswotaf wetsiwanoe, lehadlik ner sjel Chanoeka!...
Samaas: bediener. — Baroech atta etc.: Lofzegging bij het ontsteken van het Chanoeka-Iicht.
20
Mensehenhaiten.