304
nog had hij Kerstmuziek in den mist gehoord. Hij had wel kunnen grienen, zoo verschrikkelijk droef die toeters klonken. Pal in mist en motregen, het asphalt glibberig en grauw, en dan liedjes met gebimbam van Kerstklokken... Te bibberen stonden de straatmuzikanten. Nou, geef hém dan maar liever Channeke-feest!...
Bram Neeter stemde in.
Wanneer Bram Neeter er niet was, at Jacob Berg tóch zoet en kakelde hij overgretig met Neeter's vrouw, een arisch-blonde honderdkilo-Jodin, bijna barstend uit haar hagelblanke linnen stofjas. Zij sprak traag, maar keurig. Nooit één woord konkelarij. Wanneer Jacob Berg uitgepraat was bij Bram Neeter, ging hij aan den overkant bij den schoenen-koopman Viegeevene verder klesseneeren. Oók een zoetnasjer; bronszwart, als een Algerijn. Maar een raak-geestig, levendig prater. Met dien keuvelde Bram nóg gezelliger, opwinderder....... al nasjende. Met dien
fantaseerde hij nóg vuriger dan met Bram en diens vrouwelijk, blond kanon. Dan fonkelden zijn vochtige oogen en begon er een sentimenteele dronkaards-weemoed in hem los te weeken. Want Viegeevene woonde immers op de Jodenbreestraat, in het huis van Rebbe Jokof Meijer. Daar was indertijd toch dat vreeselijke mee gebeurd, dat verschrikkelijk droevige, met die blinden, die gevloekt werden... en dat Godsoordeel! Om van te huiveren! En óók juist op Chanoeko-avond.
Jacob Berg was net zoo verzot op angstaanjagende griezelverhalen als op koek. Zijn koek werd hem legende; de legende, louter zoet en orgeade...
Viegeevene: in werkelijkheid: Vigeveno.