301
brak Lewie,... welnou, dat is me vader... en die is dóód!
•De inlooper gierde om zoo krassen trots.
— U hebt toch kinderen...
— Nog vijf en 'n half dozijn!
— Wat?... kreet de inlooper.
— Zeker,... lichtte de oude Nagel toe,... vijf... en 'n half dozijn... elf bij mekaar!... Ik la me schijnheilig verklare... as ik gauseis leg!
Zoo leefden de Nagels in spot en levendigheid; ros-knevelige vader Lewie op Nieuwmarkt; de zoons in Snoekjessteeg en omstreken.
Het bleef krioelend-druk vóór en over de Sint-Anthoniessluis. Donderdagavondsch menschenge-wemel. V enters-roepen klonken dof-galmend over v״rre straten, die gloeiden met een staart van lichtjes en als onder glanzende schubben. In rooddampende cafétjes en stampvolle tapperijen, dreef Chanoeka-lichtwalm. Overal op het asphalt, uitstalling van visch, kippen, vruchten en gevogelte. Winkel-ruiten gutsten licht uit. Er tusschen, een flikkerende gloed van Chanoeka-lampjes. In de stegen woelden dik-neuzige, groezelzwarte Jodinnen achter negotiekarren, onder ster-vlammetjes van oude kandelabers. Schaapachtig-uitgerekte of bolronde aangezichten doken óp in wonderlijk-trillende lichtkransen en spookten wég in nabrandend sloppenduister.
Er moest gebaviaand. Want de malaise hongerde, mergelde ze uit, al gingen ze ook op pernose. Licht,
licht, licht van Chanoeka en allemaal klokvrij......
liberaal, liberaal!... Legajiem!...
Vele vanilje-geurige koekwinkels bleven bij hoogste Feestdagen geopend op Jodenbreestraat en achter de Sluis, wijl sluike concurrenten aan den overkant niet sloten. Alles bleef zwoegen, op verdiensten toege-
Gauseis liggen: zieltogen. — Gebaviaand: hard gewerkt. — Pernose: jagend werk, bijna roof.—Legajiem: op je gezondheid.