300
Wanneer Maupie goed gebuid was, zong hij altijd in zijn kelder, Joodsche liederen, met droef-bewogen stem. ״Shabbos Hamalkoh" haalde hij uit met roerende accenten en zoete weerklanken. Dan weer het vroolijkere: ״Joum zé lejisroëil ouroh wesimgoh,
shabbos menoego"...... Het klonk donker en licht, vol
geheimenis, in zijn kelder. En hij sidderde zelf van aandoening en hij huiverde van geluk. Ook ״Jigdal" en Shier Hamaalous beshoew Haschem es shiewas Tsioun......" bracht tranen en herinneringen.
Zijn vader van tachtig, een krasse pretmaker, droeg Maupie als de gulste van zijn kinderen op de handen. De oude, kaarsrechte Lewie Nagel was op zijn zeventigste jaar nog hertrouwd en beheerde een aardig zaakje; filiaal van Maupie. Altijd vroolijk en welgemutst, begekte hij de halve wereld...
— Is de baas thuis?... vroeg hem een inloopende klant.
— Wacht effe... ik zal me vrouw roepe.
Dié was de baas!
Als, een ander keer, in schemering, iemand bij hem binnenkwam en vroeg:
— Mag ik de ouwe heer Nagel effe spreke?......
antwoordde hij, droog als een komiek:
— Dood!
— Dóód?... schrok de inlooper... Een beroerte?... Drie uur geleje heb ik nog met 'm getelefoneerd?......
— Best mogelijk...
De oude Lewie Nagel kwam vlak voor het raam staan en draaide zijn rossen knevel.
— Verroést, nou zie ik 't,... u bent 't zelf.
— Natuurlijk!
— Dus u lééft?
— En-óf!
— Waarom zei u dan...
— U vroeg ommers naar de ouwe Nagel?... onder-
Shabbos Hamalkoh, Joum zé, Jigdal en Shier Hamaalous: religieuze gezangen.