296
— Is d'r bove geen plaas?...... vroeg gemoedelijk
Hijman Groen van de Raamgracht.
Maupie drukte heftig zijn aap-laag voorhoofd, alsof hij het terug wou dringen...
— Alles voor me Christe klante!... spotte Maupie... amrei inshi!...
Van Maupie Nagel, in zijn Snoekjessteeg-kelder, ging de roep, dat hij heel betoeg was. Dat hij meer in de asch had, dan anderen in de tasch. Alleen al aan ״ongeregeld" goed bezat hij een dik fortuin. Hij had wel vijf groote „eigen huizen". Twee op de Haarlemmerstraat, een in de Pijlsteeg, een in de Zandstraat en nog een bij het Walenpleintje. De buren wisten alles haarfijn. Bijna zonder hypotheek, fluisterden zij elkaar in ontzag na. Maar dikbuikige Maupie werd hevig gehaat, om zijn tartende vrijdenkerij en schennende brutaliteit. Een gazzer met een arbekanfes!
Als zij hem spottend wezen op zijn gezwollen buik, hoonde hij scherp tusschen de Joden:
— In die jiddemaag zitte allemaal varkes-oortjes!
Hij had pas zijn eigen schoonzoon den kelder ópge-
trapt en hem toen gewelddadig er üitgeranseld. Die ramsjer-schoonzoon, die vervloekte kettinghandelaar en smiechtige uitlokker van „duistere zaakjes", die azer op ongelukken van berooiden; die gemeene besteler van Veemen, wou ook hém begappen! Moest de kerel vroeger opstaan... Maar na de vechtpartij werd Maupie toch voorwaardelijk veroordeeld. De buurt bleef kankeren en schelden. Noemde de risjisch-ponem Maupie Nagel een gevaarlijk heerschap, onder politietoezicht en al was hij nog zoo rijk,... een soort van misdadiger. Maupie's lobbesbuik schudde van den lach en hijzelf grinnikte óók.
Arme Joden, die bij Maupie Nagel inkochten, zegenden hem echter. Maupie was weliswaar een spot-
Amrei inshi: zoo zeggen de menschen, — Betoeg: rijk. — Gazzer: zwijn. — Risjisch-ponem: brutale kerel.