295
— Heb ik brand gestich?... Heb ik geld afgepers, meneer Moelie Streep?...
Er klonk dreigende onthullingsdrift in Maupie Nagel's stem. Nu schreeuwde hij uit de kille diepte van zijn donkere kelderstoep... Een hijgende uitdrukking blies zijn gezicht op.
Er gonsde overal Donderdagavond-drukte en gezelligheid op Jodenbreestraat, rond Hoogstraat en Snoekjessteeg. Met geweldige lijnenval schoot de Zuiderkerk uit de belichte duisternis, op de winkelhuizen neer. Van Suoekjesgracht, het stukje Rotter-dammersloot en wijde Oude Schans, huiverde Decemberdonkerte. De Snoekjesbrug stond spook-achtig-verfloerst in pakhuizen-duisternis van den Montelbaans-burgwal. Naar den Damkant toe, in de Hoogstraat, kolkte en klotste bedrijvig leven; tintelden weerszij de winkels klaterend-hel verlicht en overal raasde verkeerslawaai. Decembermist, om te rillen. Op den dag, vocht-grauwe, sombere sneeuwluchten.
— Niks gedaan,... als kou en sneeuw... wat ik je brom!
Debbie de Haas en Dieke Maandag, al keuvelend, drentelden in d'avonddonkerte aan en bleven staan voor Moelie Streep's halfdeurtje. Dadelijk roddelde die iets woedends over Maupie Nagel tegen de vrouwen mee. Debbie de Haas van de Kromboom-sloot, beet fel-nijdige woorden uit... Noh, de rechte soort,... most haar man zien, dat zoo'n mamzer spotte met Channekelichies, in het hartje van den Jodenhoek... Noh, zoo een frotte hamezieg!...
Maupie Nagel verkneuterde zich; lachte luid in zijn kelder en hielp Christen-klanten, die allemaal glunder en verbaasd, naar zijn Chanoeka-wijzers keken op het kantoortje. Zijn dikke buik schudde als een spekzak...
Mamzer: ellendeling. — Hamezieg (verbastering van Hamei-siag: ״De Spraakmaker".