294
Chanoekieljes hangen, van ׳hem en van al zijn kinderen.
Lewie Parser, aan d'overkant, nijdig op de ellebogen leunend tegen het piepend, halve onderdeurtje van zijn woon, sprak er rauwe schande van; zóó luid, dat opgehitste buren het hoorden...
— Op ze ketoor!... Wat 'n gazzeroor... heb je 't ooit zoo zout gegete?... De Channeke-wijzers van ze zéve narrische kindere op ketoor!... Zoo'n frotte goigomer!... Potske speelt ie! Ze moste hem in de zak van Harlekijn lévendig tjompe!...
Lewie Parser, met zijn doorgroefden kop, ׳keek boven en beneden de buurtwoningen langs en overal # zag hij glinsteren de Chanoeka-lichtjes tegen den muur, op of naast den schoorsteen. Maar nergens oneerbiedig, in een goor-kalen kelderwinkel, tusschen stroo, pakkisten en alsoorten tricotages...
— Gotspeponem!
Voor zijn groezelig benedenhuis stond Maupie Nagel baldadig-vroolijk te grinniken en onverschillig op de hielen te wiebelen...
— Ik doe wat ik wil, verstaan?... schreeuwde hij tartend naar Lewie Parser, aan d'overkant. Die schrok van Maupie's snijdende krijschstem en trok haastig de ellebogen van het halve onderdeurtje weg.
Toch perste hij er nog ׳beleedigend uit, terwijl zijn grove hangwangen paars kleurden van drift:
— Noh... die lokt zik de klante mit Channeke-lichies van ze kindere...
Moelie Streep, een buur vlak naast Parser, haalde de schouders op. Met smaadwoede, den arm gestrekt, wees hij verachtelijk naar Maupie vóór zijn kelder:
— Teugeswoordig is in alles melaise,...... in de
Menoure ook!...
Gazzeroor: ellendeling. — Narrische: verdwaasde. — Goigomer: afgedwaalde. — Tjompe: verdrinken. — Gotspeponem: brutaal mensch.