291
Maar hij keerde altijd terug, wranger, moordender.
Ook nu weer zagen Salomon, Rachel, zijn vrouw, Sak en Phientje Pardo, een storm in hem woeden; een kolkende drift, die Josua's oogen uitkreet. Ze zwegen, bang voor erger.
— Genacht... stotterden ze schuw.
Maar Truddie liet niet los. Kon het dan zoo blijven?
Sem zou het huis uitgaan, met zijn ״goje". Moos spoog en vloekte den heelen dag door, dat hij niet langer bleef, als Bekkie niet dadelijk thuis kwam. Jaap dreigde mee. Josua kon toch niet met Bram alleen overblijven, hier? Truddie wilde, dat Rebecca in ieder geval in huis weerom kwam. Ze had geen misdaad begaan... Ze hoefde niets te vreezen...
— Erger... erger,... stiet Josua kreunend uit onder hetverkrampt wringen van zijn smartelijk-smal gezicht.
Truddie, giftig weer, gilde half:
— Onzin!... allemaal onzin!... 'n Aardige engel van 'n jonge!... D'r valt nie dat op 'm an te merke!...
A nega!...... Geregeld 'n beron, 'n graaf...... en nog
schratrijk!...
Josua sloot de oogen en schoof de duimtoppen driftig over elkaar. Hoe walgde hij van Truddie, verblind door geld, aanzien en eerbewijzen. Wat gaf hij erom? Niets, niets. Liever de nakendste armoe, dan weelde en steun van die horde... O, hij had nooit kwaad gewild. Het Opperwezen was zijn getuige. Hij wou alles en ieder eerbiedigen. Maar dat,... die man! Neen, dat was je eigen ׳hart opvreten...
Wat moest, moest! Als de verwoede jongens zoo te keer gingen, welnou... dan moest Rebecca maar weer in huis. Maar hij zelf zou geen voetstap wijken. Die zoon van Rozenheim mocht nooit naar boven...
nooit...... nooit!...... of Josua beging aan zichzelf een
ongeluk!
Grauwbleek werd Josua onder die dreigwoorden.