290
— Jij... je bent stapelmesjogge geworre!... gooide weduwe Aboab da Fonseca er driftig uit.
Nooit had ze zoo ontzet haar slappe wangen ingezogen......
Josua schudde het hoofd.
Weduwe's zware boezem zwoegde hijgend... Ze teemde:
— Goed, allebeneur... 'n mensch ken kwajevrinde blijve... Te ééuwige dage... nee... dat is mesjogge!... Dat straft 't Opperweze!...
Grijskop Sak, die Vrijdagsavonds nog steeds, met zijn vrouw en kinderen, bij Josua at, voelde hevig meelij met broer Josua, maar begreep evenmin, dat een mensch zóó wraakgierig kon blijven...
— 'n Mensch is toch maar 'n ménsch!...
— Juist daaróm,... viel Josua in.
— Nee, nie juist daarom!
Salomon's stem beierde. Hij redeneerde galmend:
— Versta wèl... As Bekkie nooit niks had gewete van de heele historie, had ze... had ze... versta wél... ook teugen 'm an hebbe kenne loope...
— Onzin!... snauwde Josua.
— Geen onzin Jozewa!... Vesta wél... ik wou je
rechschrapener hoore!...... Ik zeg...... 't binne God's
besluite... Daar mag een zwak aardsch schepsel nie eens teuge ingaan. Dat is de Wil van 't Opperweze!...
Salomon krulde de bakkebaardpuntjes dooreen en vroeg al klemmender...
— Hoe kon hij, gesjiewes, die niks haatte en niks verafschuwde, zóó Rozenheim verachten?... Hij wist toch wel, dat de Eeuwige alleen kastijden mocht en nooit de zondige mensch? Wie dorst er God ophelderingen vragen?...
Josua werd al bleeker en bleeker, na de woorden van Salomon. Hij voelde de schroeiende waarheid ervan. Hij had meermalen zijn wrok willen uitroeien.