286
ring van hart? Geen oogenblik! Stond er niet geschreven, dat de Almachtige alleen kastijden mocht? Hadden Rebbe Herschel en Igmaniz als Schriftgeleerden, hem dat niet altijd voorgehouden? Alles waar, waar, maar de tuchtigende wreedheid van Rebecca was bezig zijn heele wezen van binnen uit te moorden. Daarvoor had hij nu méér dan tweeëntwintig jaar lang, schoon zielsbedroefd over eigen zondigheid, zijn afgrijzen van den op stelten-loopenden Rozenheim en van ׳heel het gezin, wrang en smartelijk beleden en het lage geweld van dien man kwellend verzwegen. Daarvoor had hij altijd de jongens van den striemenden bloed-beleediger met zijn gebloemd en vleiziek gepraat, afgehouden. Rebecca, meende hij, behoefde hij nooit te waarschuwen. Zij kon door zoo iets ver-nielends niet aangetast worden. Zij was zoo rechtzinnig en zoo goed.
Wanneer hij de laatste week zijn dochter's naam uitsprak, golfde er een ijskoude rilling, een schrik door hem heen. Het scheen de geheime stilte om een afgestorvene, die hem vastgreep. Het was, alsof hij een doode wilde aanraken. Rebecca leek Josua een weerspannige verraadster, die vloek, verwoesting begeerde onder eigen bloed.
Hij snikte. Wurgende wanhoop bracht alleen vertwijfeling. In de diepste stilte van zijn verborgen geluk, had hij Rebecca altijd ׳huiverend hooren ademen... Nu gonsde er alleen akelig vleugelengesuis van vleermuizen.
Tot in het merg had Rozenheim Rebecca's moeder gekrenkt. Niet in duistere taal, maar in toorn, die be-wust-koel wou hoonen met de tong. Hij troostte zich,... de Heere zou dien trotschaard ééns tuchtigen; zou hem vernietigen in zijn rijkdommen en verblindenden opschik. En zijn eigen meisje, Rebecca, kende vaders bloedenden wrok, die hem tot op de nerf, tot