285
zijn eigen ooren tweemaal daags. Het kromp hem sidderend saam.
Rebecca had iets gedaan, zoo doodelijk-wreed-scheurend en in-boos, als alleen Satan het vermocht uit te denken. Zij, Rebecca, zijn eenige dochter, bloed van zijn bloed, tegen haar krachteloozen, lijdenden vader. Zijn menoecha nechona, zijn ongestoorde rust was wég, voor eeuwig! Zij, zijn oogappel had hem ruw, uit een zwaren doezeldroom opgestooten. Zij had hem erger dan getrapt, dan geslagen. Zij had hem de meest folterende vernedering aangedaan, die een mensch, opgekropt alreeds van versmoorde ellende, aangedaan kón worden. Zij, zijn eigen kind, had hem
in den weeken hals gejaapt!...... Dat meisje, met de
zingende stem, als zachte muziek, met de stralende oogen en den zielsklaren blik, had de vereerde nagedachtenis van haar aangebeden moeder, van Judith-zaliger, van haar bloedeigen moeder op het zwaarst geschonden...
Eert uw ouders opdat het u wel ga en uw dagen verlengd worden!...
Wat had Rebecca misdaan! Zij, onschuldig en
rein?...... Neen,...... de ruwste drift-mishandeling en
liederlijkste streek van goddeloozen Sem was niets, niéts, vergeleken bij haar afschuwelijk-snijdende schennisdaad, die het geweten vaneen moest rijten... God's rechtvaardige Almacht moest Josua erkennen, maar deze ramp ontredderde zijn heel verstand! Wel hevig moest hij hebben gezondigd, hij nietswaardige!... Wou hij, aardsch krielmannetje, dan in opstand geraken tegen God's bestier en gericht?
Onder alle verschrikkingen en levens-opjagingen, was Josua's heilig geloof onaangetast gebleven. Hij had geloofd met heel de overgegevene, de zalige en diepe vreugd van zijn natuur. Wou hij nu tegen den Eeuwige opstaan, in groote benauwdheid en verwar