284
onbenaderbaar-rijk in diepe geheimenis voor God-aller-zielen; voor den Vader, die overal den hoorn van Israël verhief...
In stikdonkere dagen en nachten van rouw en dwars-hardnekkigen onspoed, bleef Josua toch hoog opgericht, vaak onder zeer eenzame, stille vervoeringen...
En tegenwoordig?...... Waar was toch de goud-
sprook van zijn Snooge?... Waar zijn verheerlijkt op-juichen tot de Goddelijke Almacht? Waar was zijn bezielde geloofsvreugde? Waarom smeekte hij niet meer, harte-trillend:
— Eeuwige richt Uw weg voor?...
Nü eerst beleefde hij het verpletterende, het ontzettende, dat zónder zijn Rebecca, zijn vrome verrukking niet meer bestónd. Dat had hij nooit geweten, zoolang zij bij hem was. Josua begreep dit zondige, klein-menschelijke, die pijnigende onrust van zichzelf niet. Het Opperwezen zag hem krachteloos en uitgemergeld, klagelijk, gebroken, vernietigd en verstild, zelfs op Sabbah met haar heiligheid... Hoorde hij dan niet meer engelen zingen als een zoete beving van stemmen rondom? Alles had, toen Rebecca er nog ademde, toch in hemelglans uitgeschenen! Was zij dan méér dan goddelijke overgave aan het geloof; méér dan Won-derteekenen? Kon een mensch door aardsche rampen dan zoo afgescheurd worden van zijn diepste, binnenste vrede en geluk en van het saam-zijn met den Eeuwige?
Tusschen zijn vrome droomen bewoog hij zich vleugellicht in den zonnekring Gods; in den vijfden kring, die hem uit het duister van den slaap verblindend toéschitterde...
Nu lag Josua nachten lang wakker. Rebecca was er niet, zijn Rebecca... Sjemang Jisraël!... Het bedreigde