283
en vader tegelijk voor haar geweest, al had hij nu en dan hulp gekregen van Truddie en Esther Aboab...
Hij bleef gelukkig en wenschloos in Rebecca's nabijheid, wijl hij ongeschokt het eeuwigdurend verbond voelde met den Psalmendichter.
Rebecca was in alles zijn zwijgende troost. Ook na zijn ziekte en blaasoperatie.
De zwoele zomeravonden was zij met en bij hem, en haar gezichtje scheen stil-innig als het met gebed gezegende Sabbath-lamplicht. Hij zag en hoorde in Rebecca, zijn Judith-zaliger, zijn zachte, teeder-geduldige vrouw, die uit zijn droomen niet wijken kon.
Rebecca beschermde Josua tegen wreeden schimp en explosies van de grage jongens. Zijzelve, god-vreezend, kuisch in de oogen, verzorgde met koesterende aandacht, ondanks havenende bespotting van de ,,bezienenswaardigheid", vader's streng-ritueel eten en drinken, en stak altijd zelve de handen uit de mouwen. Bereidheid bezat zij tegenover iedereen. Zij eerbiedigde tot het uiterste, Josua's vroomheid tegen gemeenste inblazingen van de flapkannen Sem en Moos. Het leven had hem smadelijk geknauwd, getrapt, geschonden. Ook hij scheen een walg voor de zonen van zijn schoot... Ook om hem had duisternis gestaard en storm geloeid. Maar nooit vloekte hij zijn dagen en nachten. Hij ademde nederig onder het oog van den Albarmhartige. Geen enkel ding werd hem een verschrikking. Want de Eeuwige heerschte over alles, in Zijn ontzagwekkende Majesteit. De Thora was heilig en eeuwig en omhulde Josua in een lichtende zielsblijheid. Onwrikbaar bleef het geloof in hém, boeteling. Er bestond op de heele uitgestrekte wereld geen schooner huis dan de angstig-plechtige Snooge. De Heer verloste hem van benauwenissen. Alle soort van kwellingen had hij doorstaan. Arm, heel arm, leefde hij, als marskramertje, maar van binnen