282
en verslonken. Dat was wel voor Josua zelf !hét verpletterende: zijn eigen hartsbedwelming tegenover den Eeuwige. Hij, met zijn onschokbaar Godsvertrouwen, met zijn heilige Godsvereering, plotseling na de ramp, zoo heelemaal eenzelvig-leeg en ijzig-doodsch van binnen. Zoo, door martelende onrust gekweld en opgejaagd......
Josua kreunde......
— O Heer der Vergiffenis!... Ik, die stof ben in het leven, hoeveel minder zal ik nog zijn in den dood!...
Meer dan dertig jaar woonde hij hier in de Zand-dwarsstraat, op zijn vierde verdieping van het over-hellend-smalle huis. Tweeëntwintig jaar leefde Rebecca, vlak in zijn nabijheid, op de armelijke kamertjes. Hier, vóór het rechtsche raam, had hij verknocht gemijmerd, gedroomd; was hij verborgen opgeklommen naar zijn geluksvisioenen, die opdoken tusschen Zuiderkerk en Zuidertoren; die zweefden boven transen en spitse, of hangen bleven achter radruiten. Hier, voor het stille venster, had hij zijn Heilige Boeken altijd weer en weer gelezen en bezield herlezen, en in rillend ontzag geluisterd naar de stemmen der groote Verklaarders. Zijn barbaarsche zonen, behalve Bram, vloekten, raasden en kokhalsden beschonken: helle schuitlichten, onder takelage in het duister. Sem Diavolo, mishandelde hem om zijn weeke-lijke onderworpenheid. Het deerde allemaal niet, zoolang hij zijn Rebecca naast zich wist; zijn engel, zijn klaarste oogenlicht.
Slechts Bekkie vermoedde iets van Josua's vervoeringen, van zijn begoocheld en verrukt luisteren naar het kerkorgel vroeger. Zij was al heel jong saamgegroeid met Josua's zorgen, tobberijen en plichten; met Josua alléén, tusschen tieren, krijschen en geweldenarijen van de wilde broers. Josua was moeder