281
Hij beleeft doch altijd vreugde...... Noh...... mag ie
ze-eige zoene... Bekkie lus nie!...
Truddie Hereira, het familie-spionnetje, had booze ooglicht-flikkeringen uitgesöhoten naar allen kant. Zij begeerde geen nieuwtjes meer uit haar roddeltong los te tornen. Haar koortsroode blos werkte mét haar verstopte traanklieren saam. Het was genoeg! Zij huilde hysterisch voor alle broers en zusters, om het schaap, nichie Bekkie, en over den rabbijn van Maanzaad......
II.
Josua besefte nauwelijks waarvoor hij nog leefde. Alles was hem te veel, waardeloos geworden, nu afvallige Rebecca, zijn eenige dochter, haar vader zoo pijnigend had verraden. Nu zij heulde met zijn gemeenste, laffe aartsvijanden en haar eigen bloed bevocht. Nu zij hem had beleedigd, zóó als bar-baarsche en godschempende Sem, in zijn doortraptsten uitval, het niet zou hebben gewaagd!
Alles was voor Josua dood, morsdood. Hij smeekte, saamkrimpend, in Snooge, met zijn gezicht naar de Heilige Arke, den Almachtige, bevend en rillend om vergiffenis. Even vloog een zomersche zonneschijn langs hem. Josua jammerde rauw, dat hij voor niets meer gevoel had; slechts zijn Joodsche plichten deed en de ochtend-, middag- en avondgebeden zei; werktuigelijk, koud, blind, zonder harte-siddering. Josua spuwde op zichzelf, op zijn laffe wegkruiperijen en besluiteloosheid. Hij ademde nog, omdat hij de hand aan eigen verschrompeld leven niet durfde slaan.
Zijn stil-brandend heimwee naar den hemel, zijn godvruchtige begeerte, zijn binnenin-stille vervoeringen, zijn ״leeren" in Thora-boeken, in zijn ,,Kandelaar des Lichts", vooral op Sabbah; zijn stille blijmoedigheid,... alles, alles hiervan scheen in hem uitgedoofd
Rabbijn van Maanzaad: spotnaam voor Igmaniz.