280
lessies! Luister na me sjmoes, maar kijk nie na me gedoe! Allegaar sjkorem. Sem heb gelijk... Moos heb gelijk... Jaap heb gelijk... Ze zegge, hij was zellevers 'n sjnorrer, die geelbliek! Ze vader en ze overgrootvader, — sta op en ga zitte... Züllie hielle niet taart mit kip an hém over, maar hij an züllie! Dat is andere thee!... Wat, broer Jozewa?... Vraag maar an wie je wil... An Aroon de Lare, an Mesias, an Vigee-wene... Ja, die frotte Pollek mit ze praats, wéét wat!... Wat ie wéét heb Uriël al lang al vergete... Allemaal
״geleerde" schruim zegge ze!...... 'n Kunsj as-tie
sjnorrer verliefd is op 'n engel as Bekkie! Geregeld een vogelverschrikker, mit ze eeuwige gekleede jas... Hij sjtinkt as 'n dood paard!...
Weduwe Aboab zoog haar slappe wangen in, toen zij Josua zag verbleeken van drift. Truddie zwamde en daasde door. Tót Josua zijn geduld verloor, met een grond-stamp en een knuiistslag op tafel, zijn geel-grauw treiter-zustertje verbood verder te roddelen; meneer Igmaniz achter zijn rug niet langer zijn kabot te bekladden. Maar toen sprong tante Truddie nog driftiger, snerpend-gekrenkt op. Nattigheid biggelde haar oogen uit. Zij gilde hysterisch er tegenin:
— Akiaay, wil je mijn slaan?...... Zijn kabot?......
Zijn kabot?... Nee mijn kabot!... De kabot van me nichie Bekkie!... De kabot van ons allemaal!... Zoon qualdrape!... 't Hemp is nader as de rok... Ja, ikke laat me daar die beeldschroone jonge van 'n Rozen-heim beleedige door zoo'n frotte Pollek... 'n Vuile schaffer,... 'n rebelist van ze-eige sjmoes...
— Die heb geen woord gezeg, nega!... riep Josua wanhopend uit.
Nijdig repliceerde Truddie:
— As... as ie niks zeg, zegt ie nóg teveel!... In Mokem Godel is d'r geen smeerglans veur ze laarze.
Sjkorem: leugen. — Sjnorrer: bedelaar. — Qualdrapa: min schepsel. — Schaffer: vreter. — Kabot: eer — Rabulist: rechtverdraaier. — Mokem Godel: Amsterdam.