277
En daar ging ze groot op, als preutsch meisje.......
vroeger jaren van de Sortes...... de rechte soort!......
Maar als,... als zoo een beeldschroone man om haar ״was gekomme, toedertijd... nou ja...
Haar oogen begonnen te wateren en de gerimpelde lipjes zenuwachtig te trekken. Weer smonselde zij, in diep vertrouwen, karig-verlokkende stoutigheidjes met een, zich tegen denkbeeldig genot zachtjes aanschurkend giohelstemmetje. Haar zuster, de mollig-ingedrongen weduwe Aboab en haar schoonzuster Rachel, vrouw van haar gezegenden broer Salomon, dien diamantslijper-hongerlijer, kon ze toch alles bekennen. Want zij leek een uitgedroogd vrouwtje. Zij was als een dor-riekend bijbeltje... Nu ontwaakten teedere jeugdherinneringen, bij het zien van Uriël; werd zij een bijbeltje met een, tot het geraamte uitgeklopt lindeblad,... vergane geur, behouden vorm...
De weduwe Aboab keek beduusd. En Rachel Hereira, geboren Belmonte Tirado, kon maar niet in haar dik-stomme ,,hoof" !krijgen, dat Uriël de jóngste zoon van Henri Rozenheim was, van het Museumplein.
— 't Is al zoo lang geleje,... verontschuldigde zich Rachel de snuggere.
Nee, nee, verklaarde nu tante Truddie openlijk,... naast dien Uriël, naast die „schroonheid van 'n jonge", nee, daar was meneer Igmaniz, die frotte Pollek, nou geregeld niks tegen!
— Foei,... roddelde dwergklein tantetje, met snakkend kopje en koortsig van blos,... foei, wat 'n gele
paniem, mit ze Polleke-slaaplokkies!...... 'n Echte
tediske... Foei, wat 'n gele erret in de smook!... Ze kon zoo an 'm uitkaatse!...
Tante Truddie maakte smuigerig-verdacht, wat ze
Sortes: geld, getrokken op een lot, door een Portugeesch meisje, dat haar bij het huwelijk wordt uitbetaald, door een Vereeniging. — Paniem: gelaat. — Tediske = Tedesco: Hoog-duitsche Jood; iets minderwaardigs voor een Portugees.