278
zelve, nog pas eenige weken her, over Igmaniz vurig-hartstochtelijk en luid verkondigde. Terwijl zij juist Igmaniz' geleerdheid en rijkdom allerklemmendst had rondgestrooid, spotte zij nü:
— Nou ja, zegge ze... schatrijk is ie!... Ze kanne an zcovéél zegge, van zoon stinkappel!...
Breedgeheupte weduwe Aboab schudde hoofd en boezem. Zij voelde zich ernstig bezwaard:
— Ja, maar wat waar is, is waar,... die Igmaniz het Jozewa...
— A nega!... sneed spinnijdig tante Truddie af, zoodat de slapwangige schrok en zweeg,... narrisjkat, noh... zoo 'n sjlemiel!... Mot ie maar nié ze sjobbets
ruile voor 'n gekleede jas...... foei!...... Ikke was net
zooveel zemenaris as hij... Ja, ik laat me daar ovele-wotel sjmoeze... Ikke zeg u... hij deug voor geen kidoesch en geen abdala!...
Tante Truddie bette haar traanoogen wreed met haar mouw en lachte huilend.
Est her waagde nog even te hakkelen:
— Ik doch...
Plotseling rook weduwe Aboab geur van noten ergens. Nu wist zij niet eens meer, dat zij iets ״gedocht" had, zoo bedwelmend werkte haar nasj-instinct door.
— Jij docht... jij docht... jij heb nie te denke azze wullie denke,... kraakte weer venijnig het muizensnoetje uit... Akiaay,... geregeld 'n schroonheid is die Uriël... 'n beeld uit 't groote mezeum!...
— Maar ik meen óók as... as... je zelf heb gezeg,... viel domme Rachel Belmonte, de weduwe Aboab bij,...
dat die Igmaniz tug heel...... héél groot was in de
Talmud?... Een Kehar...
Tante Truddie's tengere muizensnuitje spitste zich
Sjobbets: kaftan. — Ovelewofcel sjmoezen: ondersteboven praten. — Voor geen kidoesch en geen abdala: niet voor het begin en niet voor het einde. — Nasj: snoep. — Kehar = verkorting van Kebaud harab: geëerde.