275
Veel erger dan voor haar het nerveus-strak voorbij-loopen van Dennie Goudswaard, die deed, alsof zij een totaal vreemde voor hem was. Hoe kon Igmaniz, in zijn geringe zelfzucht, vader aan haar opofferen? Was dat nu ook niet iets van de dierlijke ziel, waarvan de Galliciër altijd zoo minachtelijk sprak? Was dat nu vroom denken en handelen?
Uriël drong vurig aan, hij wilde oom Josua spreken.
Maar nog wilder weigerde Rebecca. Zij kende haar vader. Hij zou in stijgende woede, zichzelf heelemaal verliezen en Uriël tot in zijn bloed beleedigen... Uriël, nog bleeker dan anders, geroerd door Rebecca's wanhoop, bedwong zich en trad terug. Wel bezocht hij haar bij tante Truddie in de Moddermolensteeg, op de kamer-met-gekleurde-ruitjes...
Tante Truddie, het maagdeke, smolt van hartelijkheid. Haar honkje was een maagdelijk nestje. Truddie's venster eenhoog-vóór, keek uit op de nü grauw-sombere, scheeve en hooggebrugde oeverkrommingen van wintersche Raamgracht, van Zwanen- en Groenburgwal. Onder tante Truddie's woon, dreunde en daverde den ganschen dag de huur-hoef, kachel-, rijtuig- en wagensmederij van Maaters. Heel de Moddermolensteeg was prooi van tante Truddie's gulzige blikken, van den ochtend tot de donkerte viel. Zij koekeloerde den heelen Sabbah, door het ruitjes-raam met vergroende spion, terwijl meeuwenzwermen ópwirrelden tot haar bekruimeld venster. Als een muisje trippelde op het vale asphalt, of er brak een ruzietje uit op den Waterlooplem-hoek, kreeg zij al verkneuterend plezier van opwinding. Ook wat er op de kolenschuiten geschiedde, ontglipte haar aandacht niet. Vond zij een en al gazeljade. Vroeger, o god vroéger... vroeger, toen aan den Zwanenburgwalkant, heelemaal afgezonderd nog een water-en-vuur-nerinkje bestond, een knus steenen huisje, waarin
Gazel jade: gezelligheid.