273
weer door een duizelbenauwing gegrepen. Vader wilde zelfs haar niet zien. Al zijn lijdzaamheid was weg! Een ramp. Zij wou naar vader toerennen en hem troosten. Maar zij kende Josua's onverwrikbaarheid in zulke diepe dingen. Zij snikte en bad dag en nacht God, dat haar vader toch gauw mocht veranderen van inzicht en uit zijn ellendigheid zou worden gered. Maar nu eischte Rebecca, dat Uriël niet eêr de Zand-straatsche woning zou betreden, of vader, uit eigen wil, moest het goedkeuren. Vader's toestand was reeds een-en-al verscheurend leed en uitputting. Zij alleen wist nu, hoe wanhoop en smart hem verschroeiden; hoe hij zichzelf teisterde en tegelijk bekommerde om haar lot. Als Rebecca dat bedacht, kon zij huilen en snikken, uren-lang, om het gebeurde; om vader's hardnekkige weigering, haar te zien en te spreken. Maar nu het ״geheim" eruit was, bleef zij zich toch binnenin heerlijk opgelucht voelen; al kon zij uit de konkelende verhalen van tante Truddie, het verward en luid-beierend gepraat van oom Salomon, de twisterige roddelarijtjes van tante Rachel en tante Esther, niet recht wijs worden.
Oom Salomon greep driftig zijn weerbarstige bakkebaard-sliertjes en verklaarde met galmstem, dat Josua verschrikkelijk was om aan te zien. Hij scheen afgestorven van de heele omgeving; van zijn heilige sabbath-vreugde zelfs. Oom Salomon smartte vooral het wangedrag van de brutale jongens, die zijn broer halfdood sarden.
— Die rasjangs, die baldadige duvels!... 't Is niet om an te zien... Ze vrete zoo 't vleesch van ze ribbe af... Versta wèl... pèspleekiesje wazze ze, stuk veur stuk!... Ze eere God noch gebod!...
Rebecca zweeg.
— Versta wèl, Bekkie... We worre as... as werrek-mensche allegaar afgebeuld... zullie ook!... Jaap ken
Pèspleekiesj: ontaarde.
18
Mensehenli arten.